Dit is nog steeds een banner, nog steeds niet op klikken dus
Zo af en toe, in een vlaag van inspiratie, komt er een wolk prozaiek
in me op, gedichtjes dus. Verwacht echter geen 'ik hou van jou, ik vind je lief'
gedichtjes hier, want die boycot ik zoveel mogelijk... mucho enjoyas!
Bij de weg, de meeste gedichtjes moeten nog komen, geduld dus.
De werelden zijn een.
Zes miljard werelden in een kleine bol geperst.
Hier en daar strekken de werelden een trillende vinger uit, en raken ze elkaar.
Het gras, de zon, de zee, soms raken ze elkaar, en vloeien ze in elkaar over.
Zes miljard werelden die, via vage grenzen, slechts een wereld zijn.
Werelden van liefde en haat, rode en blauwe werelden, eenvoudige op zich zelf staande
bolletjes die via een netwerk van tentakels gevoelens uitwisselen, en elkaar ervaren.
Een van deze werelden probeerde ooit zichzelf te openbaren, zijn landen en oceanen en wolken bloot te geven
aan de werelden die hem wilden zien, zomaar, omdat hij dacht dat hij iets te vertellen had.
Misschien kon hij ze ontroeren, en al was het maar voor een halve tel, stil laten staan bij wat hem draaiende hield.
Hij vertelde hen verhalen, over hoe groen en blauw en geel hij was.
Hij vertelde hen over de tijd en over geluk.
Ook vertelde hij hen over de oorlogen, die hem alleen en vol littekens hadden achtergelaten.
Hij vertelde hen over zijn gedachten in de herfst en de droevenis die hij soms voelde.
Hij vertelde hen alles, en zag, dat ook zij zo waren.
En toen wist hij,
De werelden zijn een. Rust 's Ochtends De Slacht Water HerfstHumeur 09
's Ochtends
Na twee bakken koffie
Begint het leven pas
Een krant, tabak
Vertel me niet dat
Ik net wakker was.
Stil kijk ik hoe boven
Mijn puzzel mensen
Gespitst weer leven gaan
Onbekend zijn de gezichten
Onderdeel van mijn bestaan.
En zo zal ik een gezicht zijn
Onderdeel, met mijn koffie
en mijn krant
Ongekend en zo vergeten
Met de wereld in mijn hand.
De Slacht
Die mensen, waarop wachten zij?
Wie zijn die mensen?
Met lege ogen, lege harten,
Wie zijn zij toch?
Die mensen, waarom staan ze in die rij?
Wie zijn die mensen?
Met lege hoofden, lege handen,
Wie zijn zij toch?
Waarom vluchten zij niet
Ver bij het abatoir vandaan?
Ben ik de enige hier die ziet,
Die weigert in de rij te staan?
De wereld bloeit nog om ons heen.
Wie zijn zij toch?
Ben ik alleen?
Water
Water is vergetelheid
Schatbewaarder van de tijd
Beerput, bodemloze krater
Diep verborgen, alles kwijt
Tot dagen, weken, eeuwen later
Het geheugen is als water
HerfstHumeur *
Dom, duf en depressief
Dwaal ik door de straten
Verlaten, in gedachten verdronken
Heb ik niet in de gaten
Dat mijn voeten mij dragen
Tot op die ene brug
Waar onder mij, in het water,
Het eendengesnater klinkt
Als een lokroep uit de donkere diepten
Koud, troebel en vaag
Balancerend op de reling denk ik weer
Ik spring nog wel een keer...
...maar niet vandaag.
09
September ruikt
Naar koude shag en angst.
Bode van de winter,
Afgekoeld en grijs,
Wanneer schaatsers onder het ijs
Wachten op de dooi.
September is de oude man
September duurt het langst.
Als waarheen de vraag is,
Ligt het antwoord in daar vandaan.
Als het nu vandaag is,
Zijn wij daar gister dan heen gegaan? Reflectie
Durf je door de ruit te kijken,
Naar alles wat erachter ligt?
Naar de ware wereld
Achter dat vaag bekend gezicht?
Durf je slechts te kijken,
Te vergeten wat je al kent?
En je eerlijk af te vragen
Of je wel gelukkig bent?
Bladloze Klavers *
Niet denkend,
Doch hardop dromend
Rennen zij de wereld in
En vinden aan het eind
Van dit festijn
Dat het denderende licht
Aan het eind
Van deze tunnel
Niet meer is dan de Hoekse lijn.
En spoedig, op perron drie, komt binnen
Weer een vertraagde trein.
Ondergang
In een plas van bloed, veren en was
Moest de ondergang geschieden
Nat van speeksel en tranen
Moest zij leren wennen aan
het aards bestaan
En weten dat zij spoedig sterven zou.
Ze voelde zich miserabel
Als een loeihard gevallen engel.
De Waarheid
Ben jij dat, Vreugde?
Die mij zo bedroeft?
Ben jij degene? Die ene?
Die ik voor blijdschap heb aangezien?
Ben jij het teken?
Dat ik hier niet voor geboren ben?
Volgens mij ben jij de leugen,
Dat alles goed kan gaan.
Volgens mij ben jij het lichtpunt
Dat mij naar de afgrond leidt.
De ommekeer in mijn bestaan,
Die mij van mijn last bevrijdt,
Die mij laat zien dat ik hier niet hoor.
Jij bent degene die mij de waarheid toont,
En mijn inzicht met eindeloze verwarring heeft beloond.
Maar wie ben jij?
Een beeld staat mij voor ogen
Een figuur van kleur en contrast.
Een bewegend schilderij
Een droom, realiteit
Een patroon van herkenning
Neergezet door een hand, de mijne?
Een goedwillende woeste kwast,
Die mijn ziel bespatte
Met vreemde tekens
Betekenisvol voor mij alleen.
Een portret vol monsters en vogels
En jou.
Maar wie ben jij,
Daar op het doek van steen?
Jouw beeld staat mij voor ogen
Jouw figuur vol kleur en contrast.
Ik zoek in mijn droom, realiteit
En hoop op herkenning
Ter onzer tijd.
chAos
Verwarring in een hoofd vol chaos, gevoelens borrelen op.
Verdriet en pijn weven de strop waaraan vergeten gedachten ten onder gaan.
Huilend van blijdschap schreeuw ik van binnen
Een andere ik gaat langzaam dood.
Ik weet bij God niet wat te beginnen, ik sterf van verdriet, mijn dank is groot.
Totaal verloren in mijn hoofd, gedachten flitsen voorbij,
Geluk overspoelt mij, maakt me blij
Terwijl ik miserabel ten onder ga.
onthouden
Zou ik nog kunnen houden van?
Reddeloos verloren zijn?
Zou iemand van mij kunnen houden?
Zolang ik je niet vergeten kan?
Zou ik die wolk kunnen vergeten,
Die mijn hart verduistert heeft?
Zou ik om iemand kunnen geven,
Zolang jij in mijn wereld leeft? Mijn hoofd tolt van houden, jij, en wolken,
En zinnen die met 'Z' beginnen
En vraagtekens blijven kolken,
Mijn onzekerheid vertolken,
Druipend van ons bloed als dolken.
Ik ben bang dat ik vergeten ben,
Hoe ik van iemand houden moet.
Het enig gezelschap was zijn zelfhaat en de drang kapot te maken
na alles wat hij al had stukgemaakt. Woedend op de wereld wilde hij
schreeuwen dat hij hier het enige probleem was en hield theatraal
zijn kaken stijf op elkaar, weigerend te praten, slechts schreeuwen wilde hij.
Terwijl agressie als alcohol door zijn lichaam vloog beheerste hij maar net
de neiging uit te halen naar de spiegel en zichzelf de genadeklap te geven. Over
Ogen vol tranen
Een hoofd vol pijn
Dromen verloren
Geen reden te zijn.
Een meisje in een hoekje
Alleen aan de kant
Haar ogen vol tranen
Een mes in haar hand.
Splinters
Een spiegelbeeld
En ergens,
Eens,
Sprong hij door de ruiten.
Een spiegel
Beelde nergens een sprong.
Hij,
De orde,
Er uit!
En scherven weergaven zijn val.
Diepte
Adem! Verdomme! Adem!
Laat me hier niet in de steek!
Ik pomp de zuurstof in je longen
En krijg er slechts water voor terug.
Ik sla je paars gezicht
Vlakke hand, vuist, wild en woest.
Adem! Verdomme! Adem!
Waag het eens te sterven!
Jij, die monsters hebt bedwongen!
Jij kan niet sterven!
Ik kijk naar ons gezicht
Besef, je bent al dood
Altijd al dood geweest
Nooit geleefd
Sterf dan, verdomme!
Ga je gang! Ik stop je niet!
Als jij, mijn sterke vriend
Zo nodig moet verdrinken.
In mijn ellende
Ga je gang, klootzak!
Verzuip dan maar,
En sterf in mijn verdriet!
Top of the Hill
Turning back brings no solution
Looking forward brings no hope
The place we are is an illusion.
Around my neck the present lies
Waiting like the heavy rope
And with this thought the future dies.
A break, a breath is all I need
But time? Time flies beneeth my feet.
Him
His body felt cold,
His fingers didn't feel at all
His eyes saw the bodies that didn't see him.
His ears heard nothing but the long persistent call.
He slowly went forward, leaving no tracks in the snow
He watched the people go,
At the moment he would know
Wich one to pick from this frozen grey confusion
For he was Death's Illusion.
Ongegrepen
Hij stond daar aan de waterkant
Zoals hij jaren
Aan het water had gestaan.
Hij keek toe hoe het water
Kalm aan
En onverbiddelijk verder ging.
Hij had alles al gedaan
Om de stroom te stoppen
Maar zag het water verder gaan.
In zijn gebalde rechterhand
Hield hij een kleine druppel
Herinnering aan water
Die allang vervlogen was.
Berustend keek hij weer
Naar zijn lege rechterhand
Vergeten wat er ook al weer
In zijn palm had moeten liggen.
Hij stond aan de waterkant
Al een ruime twintig jaar
En keek toe hoe al dat water
Onbegrepen verder ging.
Een auto mist hem nog maar net en rijdt vrolijk door. Hij staat stil
en beseft dat hij dood had kunnen zijn. Als er een God is, is hij in vorm
en wondert er flink op los. Zo niet, dan niet, en betekende het dus ook niets. Herfsthumor
Ik loop weer door een uitgestorven straat
Onder een sterloze hemel waar als enig licht
Een vliegtuig gaat naar een onbekende stad.
Bejaarden kijken geboeid door hun ramen naar binnen
Bij de overburen en volgen de soap die andermans leven heet.
Ik ga over de brug waarvan ik nooit zal springen
En loop langzaam naar huis om deze rust te rekken
En na te denken over de mensen die ik ken en dingen,
Die mijn leven maken tot wat het is,
Alles wat maakt dat ik weet
Dat ik dit ben.
Halte 7e hemel
De aantrekkingskracht versnelde zijn val
Onweerstaanbaar, reddeloos verloren
De hemelse hoogte vervormde naar dreiging
Naar mate de grond nabijer scheen.
Toch dacht hij in lyrische metaforen
Over de wolken om hem heen.
Als dromen raakte hij ze aan
En vulde zijn ondergang met extase.
Een vliegtuig vloog aan hem voorbij
Inzittenden zagen slechts zijn geluk
Als een roze vogel die hen toch niet raakt.
Neergaan was slechts vliegen, zweven
En ondanks zijn einde kon hij niet meer stuk
Nu hij de kick had mogen beleven
Van leven, storten en sterven bij elkaar.
Hij lachte toen hij meeuwen voorbij zag razen
Om zijn ontsnapping uit een kil heelal
De zekere dood kon hem niet storen
Want, al zou hij weer naar boven gaan
Die ene ervaring maakte hem blij
Zoals alleen verliefdheid maakt
Het was een feit, hij hield van haar.
Now why do I see a Pink elephant?
Als de drank rijkelijk gevloeid heeft en de ochtend ver begint te vorderen,
De zon begint te zingen en de vogels besluiten ook weer eens te schijnen.
Als ook de laatste bar de deuren sluit, maar de volgende weer open gaat.
Dan was gezelligheid een feit en aanschouw ik:
Een welbekend zaterdagavonds tafereel,
Door de mist verschijnt in de onherkenbaar gezopen stad
Als een licht dansende massa de welbekende Roze Olifant,
En vraagt om een vuurtje alvorens luid kwetterend weg te vliegen,
De brouwerijen hardop dankend voor zijn bestaan...
Per Spoorloos
Uit het niets verbrijzelt de trein
De nietsvermoedende wandelaar
Die in het duister struikelde over de rails
Verbaasd spat hij uit elkaar
En zijn laatste gedachte is:
Een trein?
*HARD*
Zelfs jonge levens kunnen doven
Onrechtvaardig heengegaan
Dan kan je daar slechts liefde voelen
Ook al moet je verder gaan.
Zelfs een kind kan sterven
Niet eerlijk denk je dan
Omdat je bij het heengaan van zo'n leven
Niet stil staan kan.
En daarom huil ik toch van binnen
Om een kind, een zwart gemis
En het harde, pijnlijk bewijs
Dat God dus echt niet eerlijk is.
Me after all
I am to blame for nothing,
But lack of personality
I feel no guilt at all,
But for being born
I feel no shame at all,
My face revealed for all to see.
My head is sore
My shoes are worn
But I am me,
And nothing more.
Waar sta ik? Welke kant ben ik? Me before all
Dwing mij niet
Dus stop met zoeken
Ik zal nooit zijn wat ik niet ben
Dwing mij niet
Dus stop met duwen
Mijn ik is al ik heb.
Ga uit mijn hoofd
Trek je scalpel uit mijn
BREIN!
Laat me gek,
Gelukkig zijn.
Rondedans
Jawel, wervel blauwe spiralen
Doorkliefd van varens
En les mijn dorst.
Huppel, kille vrienden
En dans met mij
De regendans.
Hou van mij tot de zonde
Uit de hemel vloeit,
Azuurblauw.
Laat dit nooit stoppen,
Laat ons verdrinken in
De kadans van boete en genot.
Want leven, dansen,
Sterven is ons lot,
Tot de regen de kolken
Doet verstommen en
Verminken tot gezond verstand.
Laat ons dansen, kolken,
Hand in hand.
Duo Deo Diablo
Vleugels dwar'lden rond mijn aureool
Mijn blonde krullen dansten mee
Terwijl jij je achter mij verschool
Ik ben niet een, niet drie maar twee.
Ik troost, ben lief, jij bent gemeen,
Jij bent een held, ik slechts een stakker
En in mijn hoofd weerklinkt alleen:
I am one bad motherfucker.
Vleugels dwalen langs mijn staart
Mijn hoornen druipen van jouw bloed
Jouw hemel, helder opgeklaard,
Die mijn wil weer beven doet
Verandert harten in goud,
Zo koud als steen.
Je hebt het fout,
Wij zijn drie en een.
Oorlog
Hij was slechts een klein roze mannetje
In een wereld van prikkeldraad.
Hij was een ballon met een lachend gezicht
In een duisternis vol haat.
Hij vloog over de stad
En keek neer op al het kwaad.
Zij was slechts een meisje
Met een vuil versleten jurkje aan.
Zij lachte vrolijk om het mannetje
Dat ze boven zich door de lucht zag gaan.
Alvorens verkracht te worden
En op te houden met bestaan.
Hij was slechts een soldaat
Die zijn bevlekte gulp weer sloot.
Hij keek bevredigd op
Van het lichaam in de goot.
Waarna hij zijn geweer greep
En de ballon aan flarden schoot.
Een vredesduif was heengegaan,
Maar had zijn missie toch voltooid.
VerLost
Ik zou
Zo graag
Eens willen verdwalen
In een bos, anders dan van beton.
Ik zou
Zo graag
Alleen zijn en niemand,
Niemand tegenkomen
Slechts ik, de bomen en de zon.
Ik zou
Dan lachen
En mezelf vertellen
Dat de zon schijnt
Voor ons twee alleen.
Ik zou
Bang zijn
En troost zoeken, vinden,
In de armen van leven om mij heen.
Stilte
Stilte,
De taal van duizend woorden.
Slechts kijken, zijn,
En weten dat is.
Stilte,
Het beeld van duizend kleuren.
Slechts zien, zijn,
En weten dat het alleen maar is
En verdwijnen zal
In Stilte.
Een zwartgeblakerde hand sloot het boek.
De laatste bladzijde was uit, het was over.
Het boek verdween in de kast, tussen de andere boeken, ten einde stof te verzamelen
tot hij vergeten was wat er in stond. Dan zou hij het boek weer pakken,
voorzichtig de bladzijden omslaan, en met zijn holle ogen de letters strelen die iemand
daar ooit in die volgorde had neergezet. En hij zou zich herinneren dat ooit iemand
zo had gedacht, geleefd, geleerd.
Maar voorlopig zette hij het boek met een zucht terug tussen de andere boeken,
de andere levens en andere werelden die hij liefhad.